Ontstaan van het landschap
De streek die men nu de Vlaamse Ardennen noemt, was meer dan 30 miljoen jaar geleden overspoeld door de zee. Op de bodem lag een kleilaag die via de rivieren werd aangevoerd. De klei werd bedekt met een laag van zandkorrels toen de zee zich terugtrok en minder diep werd. Dat proces van overspoelen en terugtrekken heeft zich meerdere keren herhaald waardoor er afwisselend lagen zand en klei ontstonden.
Het reliëf vandaag heeft voor een deel te maken met de weerstand en erosiegevoeligheid van die verschillende lagen. De zee trok voorgoed weg tijdens de jongste ijstijd (de Würmijstijd, tussen 70000 en 15000 jaar geleden) en het waterniveau van de Noordzee daalde. De Schelde schuurde een breed en diep dal in en de getuigenheuvels ontstonden. Ook de bergvorming van de Alpen die tot hier uitdeinde, speelde daarin een rol.
Nadien boetseerden wind en vooral water het landschap. Schelde en Maarkebeek, om het bij de twee waterlopen vlakbij de Koppenberg te houden, groeven zich steeds dieper het landschap in.
Vanop de flanken (W en NO) van de Koppenberg heeft men een mooi overzicht over de Scheldevallei waar de Schelde (vroeger meer dan nu) kronkelde in de alluviale vlakte tussen de laagterrassen.
<< Inleiding || Vervolg >> |